Formule 1-iconen: Nigel Mansell & Williams-Renault FW14B

In de Formule 1 zijn twee titels te behalen: het wereldkampioenschap voor coureurs en constructeurs. In de serie ‘Formule 1 iconen’ is de auto de ster. We gaan terug naar het jaar 1992.

Nigel Mansell grijpt in 1986 en ’87 tweemaal net naast de wereldtitel met Williams. Domme pech – en soms ook onhandigheid – staan telkens goud in de weg. Na twee jaar Ferrari keert de besnorde Brit in 1991 terug bij Williams, inmiddels powered by Renault. Teambaas Frank Williams belooft hem de nummer één status en een wonderwapen, de ranke FW14, van de hand van designer Adrian Newey. Het kampioenschap is het doel en ja, de missie slaagt cum laude, zij het pas in ’92.

Door Rik Werner

Nigel Ernest James Mansell (8 augustus 1953) is statistisch gezien de op-een-na beste Engelse Formule 1-coureur ooit. Alleen Lewis Hamilton moet hij voorrang geven. In zijn 15 jaar omvattende F1-loopbaan behaalt ‘Nige’ liefst 31 zeges en 32 pole-positions, maar slechts eenmaal de wereldtitel, in 1992 met de superieure Williams-Renault FW14B. Die auto, uit de koker van de op dat moment nog vrij onbekende Adrian Newey, behoort tot de meest geavanceerde F1-wagens uit de historie van de sport. De ’92-versie van de FW14 is uitgerust met actieve wielophanging en dat maakt, dat de bolide altijd de ideale rijhoogte heeft. Het resultaat is een onnavolgbaar stabiel weggedrag, waarbij de FW14 als op rails door de bochten raast. De concurrentie heeft het nakijken en Mansell hoeft dat jaar alleen maar af te rekenen met zijn teamgenoot Riccardo Patrese. Dat doet hij overtuigend, met negen overwinningen en liefst veertien pole-positions in zestien Grands Prix, een record.

Gebroken nekwervel

Zoals zoveel talenten begint Mansell op de kart waarin hij zich redelijk manifesteert. Zeer tegen de zin van zijn vader stapt hij over naar de Formule Ford. Daar valt Mansell in 1976 op, met zes zeges in negen races, waaronder zijn debuutoptreden op Mallory Park. Een jaar later wint Mansell het Britse Formule Ford kampioenschap, na een indrukwekkende reeks van 33 zeges in 42 races. Hij behaalt het kampioenschap ondanks een gebroken nekwervel, wat een medisch wonder mag heten. In 1978 stapt Mansell over naar de Britse Formule 3, maar verder dan een vierde plaats in de seizoensfinale komt hij niet. In ’79 mag hij blij zijn dat hij een mega-crash na een botsing met Andrea de Cesaris overleeft met ‘slechts’ een gebroken rug. Lotus-baas Colin Chapman is onder de indruk van de vechtlust van Mansell en biedt hem eind ’79 een test op Paul Ricard aan. Dat levert hem de rol van test- en reserverijder in ’80 op, achter Mario Andretti en Elio de Angelis. Chapman gunt Mansell in de zomer een F1-debuut op de Oesterreichring in een derde Lotus met startnummer 43. Een benzinelek gevolgd door motorpech voorkomt een aansprekend resultaat in Zeltweg. Mansell mag ook op Zandvoort, Imola en Montréal opdraven, maar het blijft rommelen in de marge. Wanneer kopman Andretti per 1981 zijn vertrek naar Alfa Romeo aankondigt, durft Chapman de Brit als tweede rijder achter De Angelis aan te stellen. De vier volledige seizoenen bij Lotus verkopen erg wisselvallig. Mansell weet eenmaal een pole-position te veroveren, maar verblijft meestentijds in de schaduw van zijn Italiaanse teamgenoot. Het beste resultaat is een derde plaats in de Grand Prix van België in 1981. Wat beklijft is de volkomen onnodige crash in de natte Grand Prix van Monaco van 1984, notabene in leidende positie, en de theatrale aanduwactie voor de finish van de Grand Prix in Dallas, datzelfde jaar, waarbij Mansell bij 45 graden Celsius poogt zijn gestrande auto over de eindstreep te duwen. Daarbij valt de Brit voor het oog van de camera’s pontificaal flauw.

Red Five

Velen vermoeden een voortijdig carrière-einde wanneer Lotus Ayrton Senna aantrekt als vervanger van Mansell, maar Frank Williams biedt hem voor 1985 de tweede Williams-Honda aan naast Keke Rosberg, de wereldkampioen van 1982. De dertiger krijgt het rode startnummer 5 (Red Five) op de neus van zijn wagen, inmiddels en iconisch startnummer. Wat bijna niemand voor mogelijk houdt gebeurt, Mansell bloeit op bij het steeds sterker wordende Williams. Niet alleen kunnen de twee coureurs het erg goed met elkaar vinden, naar mate het seizoen vordert vertoont de prestatiecurve van ‘Lion Heart’ (een van Mansells bijnamen) een sterk stijgende lijn. Het resulteert in het najaar in een tweetal overtuigende zeges in de Grands Prix van Europa en Zuid-Afrika. In 1986 krijgt Mansell tweevoudig wereldkampioen Nelson Piquet naast zich, en dat is om het zachtjes uit te drukken geen gelukkige match. Tot overmaat van ramp overleeft teambaas Frank Williams pal voor de seizoenstart ternauwernood een ernstig auto-ongeluk, waarbij de Brit goeddeels verlamd raakt. Toch is Canon Williams Honda met de nieuwe FW11 het te kloppen team in ’86, het is domweg de snelste auto. Hoewel Piquet als nummer één is aangetrokken (tegen een miljoenensalaris), doet Mansell in prestaties niets voor hem onder. Sterker nog, na vijf zeges leidt Mansell de WK-stand bij de seizoenfinale in Adelaide. De Brit rijdt comfortabel op de derde plaats in de race, voldoende voor het kampioenschap, wanneer zijn rechter achterband ontploft. Weg titel. Williams haalt na het malheur uit voorzorg mede-titelkandidaat Piquet binnen voor nieuw rubber, waarop McLaren-coureur Alain Prost niet alleen de overwinning behaalt, maar ook het kampioenschap wegkaapt voor de neuzen van de rivaliserende Williams-coureurs. In ’87 gaat de teamvete vrolijk verder, waarbij Mansell en Piquet elkaar om de haverklap in de haren zitten. Mansell is doorgaans sneller en wint twee maal zoveel races (zes om drie), maar het is Piquet die op regelmaat met de eer strijkt… en vervolgens Williams verlaat voor Lotus. Honda is de teamstrijd zat en ruilt Williams in voor… McLaren. Mansell beleeft in ’88 een kansloos jaar in de middenmoot met een zwakke Judd-klantenmotor en hapt direct toe als Ferrari naar zijn diensten hengelt. Dat blijkt geen gelukkig huwelijk. Mansell wint weliswaar meteen de eerste GP van 1989 met de door John Barnard ontworpen semi-automatische Ferrari 641 en voegt daar in Hongarije een tweede zege aan toe, maar de Engelsman valt vooral vaak ten prooi aan technische mankementen.

Wonderauto

Met de komst van Prost in ’90 als nieuwe kopman dreigt een ontgoochelde Mansell zelfs de F1 te verlaten, maar dan biedt andermaal Williams uitkomst. Sir Frank biedt Mansell de onomstreden nummer één status voor de komende twee seizoenen en een jaarsalaris van 4,6 miljoen pond. Williams mompelt bovendien iets over een wonderauto, die pas in ’92 wedstrijdrijp zal zijn. Achterin de Williams brult inmiddels een atmosferische 3,5 liter V10 van Renault, op dat moment de fijnste krachtbron van het deelnemersveld. De motor is gekoppeld aan een snel schakelende semi-automatische versnellingsbak. Die blijkt in de eerste maanden van ’91 echter de achilleshiel van de FW14. Hoe snel en geavanceerd de nieuwe FW14 ook is, het seizoen start voor Mansell ronduit beroerd, met talloze defecten. Terwijl rivaal Ayrton Senna (McLaren-Honda) de eerste vier races van 1991 fluitend op zijn naam schrijft, komt de Engelsman pas in Monaco, de vijfde Grand Prix, aan zijn eerste punten toe, met een tweede plaats. Teamgenoot Patrese komt in het voorjaar aanmerkelijk beter uit de verf en verslaat Mansell zelfs in Mexico in een rechtstreeks duel om de overwinning. In Canada ontglipt Mansell de zege als hij een halve ronde voor het einde, zwaaiend naar het publiek, zijn motor laat afslaan… In de zomer keren de kansen en wint Mansell vijf races, zeges die hem alsnog de tweede plaats in het WK opleveren. In het constructeurs-WK pakt Williams eveneens het zilver. In 1992 valt – eindelijk - alles op zijn plek. De door Adrian Newey ontwikkelde Williams-Renault FW14B is mogelijk de meest superieure F1-bolide ooit. Met dank aan de actieve wielophanging, die ten opzichte van de FW14 aan het basisontwerp is toegevoegd, en allerhande elektronica is de auto simpelweg twee maten te groot voor de concurrentie. Mansell wint de eerste vijf Grands Prix met speels gemak en alleen een lekke band in de slotfase van de race in Monaco voorkomt een zesde opeenvolgende zege. Teamgenoot Patrese kan minder goed met de ‘actieve’ FW14B overweg en is zodoende nooit een partij voor Mansell.

Op zijn sloffen

De superioriteit van Neweys magische ontwerp doet in ’92 soms pijn aan de ogen. Schoolvoorbeeld is de kwalificatie voor de Grand Prix van Engeland op Silverstone, waar Mansell met 2 seconden (!) voorsprong de pole-position opeist t voor teamgenoot Patrese, die op zijn beurt Ayrton Senna op startplaats drie een seconde aan de broek geeft. Het is bijna buitenaards. Niet verwonderlijk dus, dat Mansell zich reeds in augustus op 39-jarige leeftijd wereldkampioen mag noemen, na afloop van wéér een galavoorstelling, nu in Budapest. Williams wint tegelijkertijd op zijn sloffen het constructeurs-WK. De cijfers spreken voor zich: negen overwinningen en veertien pole-positions in zestien races omvatten Mansells palmares. De kater komt in het najaar, als Frank Williams de komst van Alain Prost aankondigt. De kersverse wereldkampioen is geschokt en vertrekt spoorslags naar de Amerikaanse Indycars, waar hij in ’93 aan de zijde van Mario Andretti tot veler verrassing prompt de titel verovert. En Prost? Die wordt in 1993 natuurlijk kampioen met de superieure auto, om ook op te stappen als Ayrton Senna voor 1994 wordt vastgelegd. Mansell komt dat jaar, als ster-invaller voor de op Imola dodelijk verongelukte Senna, kortstondig terug bij Williams-Renault, waarin hij tijdens de seizoenfinale in Adelaide nog eenmaal schittert met een pole-position en een overwinning. Het zijn de laatste hoogtepunten van een opmerkelijke F1-carrière. In het voorjaar van ‘95, na enkele anonieme optredens met McLaren-Mercedes, zwaait Nigel Mansell abrupt en definitief af.