Formule 1-iconen.

"je zult zien, Alfa wint nog een Grand Prix".

Formule 1-iconen

In de Formule 1 zijn twee titels te behalen: het wereldkampioenschap voor coureurs en constructeurs. In de serie 'Formule 1 iconen' is de auto de ster. We gaan terug naar het jaar 1980.

Patrick Depailler & Alfa Romeo 179

Alfa Romeo is het gemopper van Brabham-teambaas Bernie Ecclestone eind 1978 helemaal zat. De kritiek van sterrijder Niki Lauda valt ook niet lekker in Milaan. De V12-motoren zijn zwaar, dorstig en onbetrouwbaar, luidt het verwijt. Pfff... wat denken ze wel daar in Engeland? Alfa-motorengoeroe Carlo Chiti droomt van eigen successen. De Italiaan wenst niet langer aan de leiband van Brabham te lopen. En zo kan het gebeuren dat het roemruchte merk in 1979 na 28 jaar afwezigheid bij enkele Grand Prix als veredelde testsessie aan de start verschijnt, om in 1980 voor het eerst sinds 1951 weer een heel seizoen met twee boldies mee te strijden om het wereldkampioenschap. Met Patrick Depailler heeft 'Autodelta Alfa Romeo' een toprijder als eerste man, een begenadigd testrijder bovendien. Zeges en wereldtitels gloren aan de horizon. Maar het zou allemaal heel anders lopen.

Door Rik Werner

Patrick André Eugène Depailler (9 augustus 1944 - 1 augustus 1980) zou je tegenwoordig bestempelen als een laatbloeier. Maar ook als een wildebras, getuige zijn ongelukken in de privésfeer. Hoewel hij al in 1972 zijn Formule 1-debuut maakt, boekt hij pas zes jaar later, in 1978 zijn eerste Grand Prix-zege. Daar zijn liefst acht tweede plaatsen aan voorafgegaan. De ketting-rokende Fransman lijkt in '79 met Ligier een serieuze titelkandidaat, maar een deltavlieger-crash in de vroege zomer voorkomt een hoge eindklassering in het WK. Het komt hem zelfs op ontslag te staan. Alfa Romeo is er als de kippen bij om hem een contract voor 1980 aan te bieden. Gaandeweg dat jaar worden Depailler en teamgenoot Bruno Giacomelli steeds sneller, vooral met dank aan de briljante technische input van de Fransman. Tot die fatale testrit op de Hockenheimring, die goed beschouwd geen doorgang had mogen vinden. Alfa komt de klapnooit echt te boven.

Contract

Patrick Depailler komt kort na de landing van de geallieerde strijdkrachten in 1944 ter wereld in het centraal-Franse Auvergne, als een zoon van een architect. Patrick studeert af als tandtechnicus, maar op dat moment heeft hij zijn hart al verpand aan snelle motorfietsen. Racen, dat wil hij. Op twee- en in vierwielers. In 1962 zet hij zijn eerste schreden op het racepad, maar pas na de militaire dienst in 1964 komt zijn loopbaan van de grond met hulp van zijn landgenoot Jean-Pierre Beltoise. Al in zijn eerste race met een Lotus Seven finisht Patrick als tweede. Helaas is eind dat jaar zijn geld op en zoekt Depailler zijn toevlucht bij de snelle gemotoriseerde tweewielers. Toch blijft de autosport lonken. Depailler verliest weliswaar een talentenrace om de Volant Shell nipt van landgenoot François Cévert, maar hij weet Alpine toch te overtuigen hem een driejarig contract voor de Formule 3 aan te bieden. Depailler wint prompt races. toch duurt het tot 1971 eer als op zijn plek valt en hij - met overmacht - het Franse F3-kampioenschap naar zich toe trekt. Daarna trekt hij naar Engeland, waar hij in de F3 grote indruk maakt en slehcts door een diskwalificatie de hoofdprijs misloopt. Depailler valt steeds meer op en mag met steun van Elf van John Coombs in de Formule 2 zijn talent etaleren. En daarbij blijft het niet, want hij krijgt in de zomer van 1972 in een derde Tyrrell naast Jackie Stewart en François Cévert de gelegenheid zijn F1-debuut te maken tijdens de Grand Prix van Frankrijk. Dat debuut verloopt vrij bescheiden met een zestiende startplaats en een twintigste aan de eindstreep. In de Grand Orix van Amerika mag hij het nog eens proberen, een finisht keurig als zevende. Formule 1-aanbiedingen blijven voor 1973 uit maar dat is geen punt. Depailler mag in de F2 rustig rijpen en wint dat jaar bovendien met Alpine de prestigieuze F3-race in Monaco. Ken Tyrrell ziet in Depailler een potentiële opvolger van Jackie Stewart en wil hem nog eens in de Formule 1 aan het werk zien, maar helaas valt Patrick ongelukkig van de motor en breekt zijn been. Geen F1-optreden voor hem.

Middenmoot

De tragische dood van François Cévert tijdens de finale Grand Prix van 1973 op Watkins Glen bezorgt Depailler alsnog en onverwacht het gedroomde Formule 1-zitje bij Tyrrell. Hij vergezelt in 1974 Jody Scheckter, die al was vastgelegd om de gestopte Stewart te vervangen. Tyrrell is met de nieuwe en nogal onverwachte line-up geen schim meer van het topteam van een jaar eerder. Scheckter blijft met zeges in Zweden en Engeland nog lang in de titelrace met 45 punten (hij wordt derde in het WK), maar Depailler komt ondanks een polepositie en een tweede plaats achter zijn teamgenoot in Zweden niet verder dan 14 schamele punten. Schale troost: de Fransman start datzelfde jaar ook in de Formule 2 en verovert er het kampioenschap. In 1975 is het gat met Scheckter weliswaar kleiner, maar het is de Zuid-Afrikaan die een Grand Prix wint (op Kyalami) en nog een tweede plaats op Zolder aan zijn palmares toevoegt, terwijl Depailler zich tevreden moet stellen met een derde plaats in Zuid-Afrika als beste resultaat. In 1976 groeien de frustraties. Depailler is, zeker in kwalificaties, geregeld sneller dan Scheckter en wordt, vanwege zijn bruikbare technische inbreng, nauw betrokken bij de ontwikkeling van de zeswieler P34. Toch is het Scheckter die de iconische auto op Anderstorp de eerste en enige zege bezorgt. Net als in '74 finisht Depailler er als tweede, een ondankbare klassering die hij dat jaar liefst vijfmaal (!) behaalt, evenals nog eens twee derde plaatsen. Leuk allemaal, maar Scheckter eindigt in het WK met tien punten méér pal voor zijn neus als derde. Om gek van te worden... In '77 glijdt Tyrrell mt een doorontwikkelde P34 af naar de middenmoot. Bemoedigend voor Depailler is evenwel het feit dat hij zijn nieuwe en alom geprezen teamgenoot Ronnie Peterson ruimschoots de baas is. De Fransman verovert in de laatste races van dat jaar een knappe tweede plaats in Canada en een derde in Japan, na een eerdere derde tsek op Kyalami. Petersons enige podium betreft een derde plaats op Zolder. In '78 verkast Peterson naar het herboren Lotus en krijgt Depailler de jeugdige Didier Pironi naast zich. Aanvankelijk lijkt de inmidels 33-jarige Fransman een kanshebber voor de wereldtitel, met slechts nipt verlies in Zuid-Afrika (P2) en een dominante zege in Monaco, nota bene de eerste overwinning na 69 starts. Na Monaco leidt Depailler zelfs de WK-stand. Lotus regeert de F1 echter nadien met harde hand, met de geavanceerde groundeffect 79 van het tandem Mario Andretti/Ronnie Peterson, terwijl de overige topteams (Brabham-Alfa Romeo en Ferrari) progressie boeken. Tyrrell verliest langzaam de aansluiting met de voorste startrijen. Het Franse Ligier biedt Depailler verlossing. Les Bleus willen in '79 voor het eerst met twee auto's aan de start verschijnen en bovendien een gooi doen naar het kampioenschap. Depailler wordt gekoppeld aan landgenoot Jacques Laffite. De Ligier-Ford JS11, uit de koker van Gérard Ducarouge, blijkt een kanon en het is vooral Laffite die de eerste races indruk maakt, al leidt Depailler de seizoenouverture in Argentinië voordat de pechduivel toeslaat. Depailler boekt op Jarama echter een dominante start-finish zege, helaas voor hem gevolgd door een volkomen onnodige cras hin de Belgische Grand Prix, nota bene op plaats één rijdend! Monaco loopt mte P5 uit op een sof, maar de titel is nog altijd een mogelijkheid, beseft Depailler terdege. Een achteloos potje deltavliegen vanaf de Puy de Dome wordt hem door een harde windvlaag bijna fataal. De Fransman stort neer op de rotsen, breekt bijna alle botten in zijn lichaam en kan het vervolg van het F1-seizoen op zijn buik schrijven. Op onverklaarbare wijze ziet Depailler kans in augustus uit zijn ziekenhuisbed te vallen, waardoor hij nog meer botbreuken oploopt. Alfa Romeo-sportbaas Carlo Chiti, drukdoende met een comeback van het merk als fabrieksteam, heeft vertrouwen in een goed herstel en strikt Depailler in zijn ziekbed als kopman van de nieuw te vormen renstal.

Ondersteboven

Bij de seizoenstart half januari in Buenos Aires monteert Alfa Romeo speciale remmen in de Tipo 179, die de nog half kreupele coureur in staat moeten stellen voldoende remdruk te geven. In Argentinië is er niet alleen veel waardering voor de vechtlust van de nauwelijks herstelde Depailler, de fris ogende Alfa kan eveneens rekenen op goedkeurende blikken. Het design is opvallend, met de schuin naar voren staande voorvleugels. De 525 pk sterke Alfa V12, met een hoek van 90 graden, krijst prachtig, gekoppeld aan een zelfontwikkelde Alfa zesbak. De Marlboro livery zit 'm als gegoten, de auto oogt als een winnaar. Dat is íe echter niet. In Argentinië kwalitifeert Depailler zich met moeite op de voorlaatste startplaats. Giacomelli is liefst achttienden rapper. De Italiaan finish de race netjes als vijfde en bezorgt Alfa de eerste punten sinds '51 als constructeur, Depailler moet de wedstrijd met een kapotte motor voortijd beëindigen. Maar de progressie zet snel in. In Long Beach vertrekt Depailler vanaf de derde startplaats. Een crash in de 41e ronde voorkomt punten, de Fransman ligt dan nota bene vierde. Tragisch: hij zal de finishvlag nooit meer zien. In Monaco gloort een podium als de motor het begeeft, in Frankrijk blijkt de 179 onbestuurbaar en in Engeland stopt de motor er maar weer eens mee. "Je zult zien, Alfa wint nog een Grand Prix", verzekert hij de Oostenrijkse tv-commentator Heinz Prüller. Op 1 augustus voert Alfa Romeo in de ochtenduren privétests uit op Hockenheim, een goede week later gastheer van de Duitse Grand Prix. Bandenstapels en vanghekken liggen onder zeiltjes opgeborgen achter de vangrails. Waarom weet geen mens. In feite is het circuit zo niet veilig genoeg voor de Formule 1, maar de privétest gaat door. Tijd is schaars immers. Depailler oogt na een lange rit uit Frankrijk vermoeid, beide coureurs rijden met hun eigen auto. Dan: "Bruno, probeer mijn auto eens". Om 11.30 uur, een half uur voor sluitingstijd, rijdt Depailler nog eenmaal de baan op. De Alfa wordt sneller en sneller. Depailler klokt 1.52, wat écht rap is. Maar dan wordt het stil. Hij heeft in de razendsnelle Ostkurve de controle verloren en ligt ondersteboven, bovenop de vangrail. Als de baancommissarissen en de Alfa-monteurs doodgemoedereerd aan komen rijden (ze vermoeden eenvoudige panne), is Depailler al doodgebloed. 'Mort d'un homme' kopt de Franse sportkrant L'Equipe in chocoladeletters, dood van een man. Op de donderdag voor de eerste vrije training in Duitsland wordt Depailler in zijn gteboorteplaats ter aarde besteld, in bijzijn van alle Franse coureurs, Scheckter, Gilles Villeneuve en Emerson Fittipaldi. Tijdens de slotrace van 1980 komt de voorspelling van Depailler nog bijna uit: Bruno Giacomelli verplettert de concurrentie en rijdt rondenlang aan de leiding, voor de Tipo 179 in de 32e ronde met ontstekingsproblemen stilvalt. Een race winnen zal Alfa Romeo nooit meer, het blijft bij enkele podiumplaatsen. Eind 1985 gaat de stekker uit het Formule 1- team van Alfa Romeo.