Ronnie Peterson & March-Ford 711

Formule 1-iconen
In de Formule 1 zijn twee titels te behalen: het wereldkampioenschap voor coureurs en constructeurs. In de serie ‘Formule 1 iconen’ is de auto de ster. We gaan terug naar het jaar 1971.

March Grand Prix engineering staat bij aanvang van het seizoen van 1971 te boek als een jonge en enigszins avontuurlijke renstal. Met de innovatieve Robin Herd heeft het door Max Mosley opgerichte team een topdesigner in huis. Oliefirma STP is bereid flink wat geld in het project te steken. Met de jonge, getalenteerde Ronnie Peterson als nummer één wil March de sprong naar de absolute top maken. Dat lukt wonderwel, zonder ook maar een race te winnen. Helaas blijkt het succes van korte duur.
Door Rik Werner

Ronnie Peterson (14 februari 1944 – 11 september 1978) wordt alom beschouwd als een van de snelste coureurs die de Formule 1 ooit heeft voorgebracht. Zijn wagenbeheersing is fenomenaal, foto’s met een veelal dwarse JPS Lotus 72 zijn ook anno 2019 volop op internet te vinden. Super Swede, zoals Peterson vaak liefkozend wordt genoemd door de Britse pers, eindigt in zijn vrije korte loopbaan tweemaal als runner-up in het WK. De blonde coureur uit Orebro zit nogal eens op het verkeerde moment in de verkeerde auto, maar mist bovendien de gave om met de juiste technische feedback een matige auto sneller te maken. En dat is een eigenschap die in de jaren ‘70 (denk aan de analytische Niki Lauda) gaandeweg steeds belangrijker wordt. Juist op het moment dat McLaren hem in september 1978 vastlegt als kopman voor het nieuwe seizoen, slaat het noodlot toe. Samen met Stirling Moss en de eveneens betreurde Gilles Villeneuve behoort Peterson tot de beste coureurs die het nooit tot wereldkampioen hebben geschopt.


Koprol
Even terug naar zijn jonge jaren. Bengt Ronnie Peterson begint zijn loopbaan op de kart, zoals zo veel aankomende coureurs. Zijn talent is direct zichtbaar, hij verovert verschillende titels, waaronder twee Zweedse nationale kampioenschappen in 1963 en 1964. Peterson stoot na de skelters snel door richting Formule 3, de kraamkamer van de Formule 1. In deze opstapklasse trekt hij in 1969 de aandacht van de F1-teambazen met een prachtige zege in de straten van Monaco, in het bijprogramma van de prestigieuze Formule 1 Grand Prix in het prinsdom. De zege vormt de opmaat naar de Europese titel in de Formule 3, hoewel de Zweed enkele hachelijke momenten meemaakt. Zo overleeft Peterson ternauwernood een zware crash op Montlhéry, waarbij zijn auto na een koprol vlam vat. Hij komt er met een hersenschudding, kneuzingen en lichte brandwonden nog goed vanaf. Colin Crabbe, een Engelse race-enthousiasteling, heeft genoeg gezien en durft het aan Peterson in 1970 met een privé-ingeschreven March 701, onder de naam Antique Automobiles, zijn Formule 1-debuut te geven, naast Petersons drukke Formule 2-programma. De Zweed houdt zich bij zijn eerste optreden in de straten van Monte Carlo goed staande, met een twaalfde plaats in de kwalificatie en een zevende plaats aan de finish, op twee ronden achterstand van winnaar Jochen Rindt. Ronnie mag daarna nog enkele malen opdraven. In Frankrijk kwalificeert Peterson zich verrassend als vijfde, maar een kapotte versnellingsbak voorkomt een puntenfinish. Die gedroomde punten zitten er dat jaar niet meer in, al eindigt Peterson op Brands Hatch ondanks een ongeplande pitstop nog prima als negende. De driekoppige leiding van het fabrieksteam van March is overtuigd geraakt van Petersons uitzonderlijke rijkwaliteiten. Max Mosley, Alan Rees en Robin Herd bieden de 27-jarige een contract aan, als nummer één coureur van het team. Peterson krijgt de bolide met de beproefde Ford Cosworth V8 motor toebedeeld, terwijl zijn Italiaanse teamgenoten Andrea de Adamich en Nanni Galli een experimentele Alfa Romeo V8 achterin gemonteerd krijgen. De March 711, in feite ontsproten uit het brein van aerodynamicaspecialist Frank Costin, is een opvallend ontwerp. De enigszins ronde carrosserie met de grote luchthapper springen in het oog, de felrode kleurstelling met STP-bestickering krijgt bij de F1-liefhebbers de handen op elkaar. Gek ding, maar wat leuk! De March 711 is verder uitgerust met een Hewland FG 400 5-bak, zoals de meeste concurrenten en is geschoeid met Amerikaans Firestone-rubber. Het blijkt al met al een prima pakket, vooral op de zondagmiddag.


Dienblad
Niet meteen overigens, want in de eerste twee Grands Prix van 1971 is Peterson helemaal nergens. Snelheid en betrouwbaarheid zijn in Zuid-Afrika en Spanje ver te zoeken. Een aangepaste 711/2, met een olijk op een dienblad gelijkende spoiler op de neus, zorgt in Monaco voor een ommekeer. Na een moeizame kwalificatie eindigt Peterson na enkele weergaloze inhaalacties (onder meer op de Ferrari van Jacky Ickx) als tweede achter de ongenaakbare Jackie Stewart, die regelrecht op titelkoers lijkt. Ook in Zandvoort komt de March in de kwalificatie pure snelheid te kort, maar vanaf de dertiende startplaats rukt Peterson gestaag op naar de vierde plek aan de eindstreep. Het smaakt naar meer. Op Paul Ricard echter krijgt Peterson van teambaas Mosley, tot zijn verbijstering, de bolide met Alfa Romeo-motor toebedeeld. Commerciële belangen, zo luidt de verklaring. “Dit kost me het wereldkampioenschap!”, bijt Peterson zijn werkgever toe. De Zweed kwalificeert zich vloekend en tierend nog niet eens zo beroerd als twaalfde, maar de zondag loopt uit op een sof. Peterson valt na de start steeds verder terug en worstelt op de laatste plaats in de race, wanneer met een daverende klap het Alfa-blok de geest geeft. Opgewekt wandelt Ronnie terug naar de pit, dit dus nooit meer. “Het gaf een flinke knal”, laat hij grijzend optekenen. “Maar wel een heel mooie!” Op Silverstone mag Ronnie weer met de vertrouwde Ford-Cosworth V8 achterin zijn 711 aantreden, en hoe! Een puike vijfde startplaats wordt omgezet in een soevereine tweede plaats aan de finish, op ruime achterstand (dat dan weer wel) van Jackie Stewart die met zijn Tyrrell-Ford een tweede wereldtitel met rasse schreden dichterbij ziet komen. De euforie verdwijnt op de Nürburgring, hoewel hij met de vijfde plaats toch nog twee punten verzamelt. Na een teleurstellende achtste plaats in Oostenrijk beleeft Peterson een fenomenaal seizoenslot, met liefst drie podiumfinishes op rij. Op Monza maakt hij deel uit van ‘de finish van de eeuw’, waarbij vijf coureurs zo ongeveer naast elkaar op de eindstreep afstormen. Peterson lijkt in de 55ste ronde met het verschalken van koploper François Cévert in de Parabolica de zege op zak te hebben. Echter, Peter Gethin schuift met zijn BRM nog net binnendoor en blijft de rode March ondanks een tegenaanval op het rechte stuk nipt voor. Het verschil onder het zwart/wit geblokt: éénhonderdste van een seconde, oftewel luttele centimeters. Met een gemiddelde snelheid van 242,615 km/h voor de winnaar is het de snelste Grand Prix ooit. In Canada herhaalt Peterson de tweede plaats van Monza (deze keer achter kampioen Stewart), om de seizoensfinale op Watkins Glen met een keurige derde plaats achter Cévert en Joseph Siffert af te sluiten. Peterson is met 33 punten keurig als tweede geëindigd in het WK, weliswaar ver achter de ongenaakbare Stewart (nummer 62) maar netjes voor diens jeugdige Tyrrell-ploegmaat Cévert.


Contract ontbinden
Ronnie Peterson droomt onder de kerstboom al van een aanval op de wereldtitel in 1972, maar helaas blijkt de nieuwe March 721 X (op Goodyear-banden) een stomp wapen. “Hij is zo langzaam, dat ik het nauwelijks kan geloven”, bromt Peterson die de nog onbekende Oostenrijker Niki Lauda als nieuwe teamgenoot mag begroeten. De auto is zo slecht, dat Herd terug naar de tekentafel gaat en een herziene 721 G ontwikkelt. Peterson finisht er in Clermont-Ferrand prompt als vijfde mee, later nog gevolgd door een derde plaats in de Grand Prix van Duitsland, maar het kwaad is geschied. De ontgoochelde Zweed laat eind ’72 zijn contract ontbinden en stapt over naar JPS Lotus, de renstal waarmee Emerson Fittipaldi dat jaar het wereldkampioenschap bij de coureurs verovert. Terwijl Peterson in ’73 naast Fittipaldi succesvol is met vier overwinningen en een derde plaats in het WK, blijft March in de middenmoot hangen, al bezorgt de jonge James Hunt de renstal op Watkins Glen nog een uiterst verrassende tweede plaats. Omdat Lotus de daarop volgende jaren langzaam maar zeker afglijdt, keert Peterson in ’76 bij zijn oude werkgever terug. Geen successtory, al zegeviert Peterson wel uiterst knap op Monza. Tien punten scoort de Zweed slechts, twee meer dan teamgenoot Hans Stuck. Een uitstapje naar Tyrrell in 1977 blijkt een kapitale miskleun, waarop de Zweed in 1978 op hangende pootjes terugkeert bij het inmiddels herboren Lotus. Helaas voor Peterson draagt teambaas Colin Chapman hem op tweede viool te spelen achter kopman Mario Andretti in de Lotus 79. Peterson stemt er knarsetandend mee in en neemt plaats in de verouderde Lotus 78. Hij wint nog twee races (Zuid-Afrika, Oostenrijk), totdat het inktzwarte weekend op Monza aanbreekt. Een vreselijke startcrash, waarbij Petersons reserve-Lotus 78 door Brambilla doormidden wordt gereden en vlam vat, kost de Zweed een dag later het leven. James Hunt trekt hem ter plekke uit de Lotus. Het duurt ruim een kwartier voordat de baanarts de onfortuinlijke Zweed bereikt en zijn verbrijzelde benen (27 frakturen) kan behandelen. Peterson wordt per helicopter naar het ziekenhuis gevlogen en ligt vervolgens tot middernacht op de operatietafel waarna hij stabiel bevonden op de IC mag bijkomen. Rond vier uur in de ochtend raakt Ronnie hersendood door een embolie in zijn bloedbaan en blaast even later zijn laatste adem uit. De wachttijd op Monza werd hem fataal. Postuum eindigt Peterson met 52 punten nog als tweede in het WK achter kopman Andretti (nummer 64). March is er dan al niet meer bij, al komt de renstal begin jaren tachtig nog even tot leven. Zonder succes, eind ‘85 valt voor Skoal Bandit RAM March definitief het doek.