Formule 1 iconen

Viermaal wereldkampioen Formule 1 werd hij, in 1985, 1986 en 1989 voor McLaren en in 1993 voor Williams-Renault. De Kleine Professor (1.67 m) uit Saint-Chamond, Frankrijk, in 1955 geboren met een Armeense achtergrond, duld daarmee alleen Fangio (vijfmaal) en Schumacher (zevenmaal) voor zich in de lijst van meest succesvolle coureurs aller tijden. Hij reed Formule 1 van 1980 tot zijn laatste wereldkampioensseizoen in 1993. Tot 2001 was hij de F1-aas met de meeste overwinningen op zijn naam: 51 stuks uit 199 GP’s.

In den beginne
De jonge Alain stapte tijdens een zomervakantie op 14-jarige leeftijd in een kart en werd direct aangestoken door het racevirus. Vanaf 1974 richtte hij zich op een carrière in de motorsport. Hij had direct succes en werd in 1975 kartkampioen van Frankrijk. De twee opeenvolgende jaren behaalde hij de titels in de Formule Renault om vervolgens in 1978 Europees Formule 3 te gaan rijden, het jaar waarin Jan Lammers kampioen werd. Een jaar later stond Prost op de hoogste trede. De logische vervolgstap was een Frans Formule 1 team. Renault had haar leergeld betaald en was in seizoen 1980, voor het eerst sinds de introductie van de turbomotoren in 1977, succesvol met overwinningen van Rene Arnoux in Brazilië en Zuid-Afrika, en Jean-Pierre Jabouille in Oostenrijk. In de eindstand om het wereldkampioenschap eindigde Arnoux op de 6e en Jabouille op de 8e plek. Team Renault werd 4e. In het jaar dat de turbomotor voor de eerste keer als een serieuze bedreiging werd gezien voor de sinds 1967 dominerende Ford Cosworth DFV V8-motoren, kreeg Prost een plek in de bolide van McLaren, toen nog met Ford motor. Samen met John Watson reed hij het team naar een negende plek. Watson werd elfde en Prost eindigde op de zesde plaats van het kampioenschap. Al tijdens zijn debuut verraste Alain vriend en vijand door in Buenos Aires, tijdens de GP van Argentinië, een punt te pakken. Interlagos, Brands Hatch en Zandvoort volgden. Ondanks zijn contract van drie jaar vertrok Prost eind 1980 naar Renault om daar de plek van veteraan Jabouille op te vullen. Met zijn meer ervaren maar langzamere teammaat Arnoux boterde het van begin af aan niet echt. Ook hier was het Buenos Aires waar Prost zijn eerste punten scoorden. Zijn allereerste overwinning werd de GP van Frankrijk en de knop was om: vanaf dat moment wist hij dat hij races kon winnen. Hij eindigde op een vijfde plek in de eindstand. In 1982 verslechterde zijn relatie met Arnoux en ook met de Franse pers kon hij geen potje breken. Hoe meer hij won, hoe minder populair hij werd. Een vierde plek was zijn deel. Renault gaf de stoel van Prost voor het einde van seizoen 1983 aan de Amerikaan Eddie Cheever, volgens zegge omdat er in de USA meer Renaults verkocht moesten worden. Het kwam Alain niet slecht uit. Hij was helemaal klaar met het Franse team. Nadat medewerkers van Renault een van de privéauto’s van Prost in brand hadden gestoken, verhuisden hij en zijn familie in allerijl naar Zwitserland. Ondanks deze gebeurtenissen werd Prost tweede, slechts twee punten achter de Brazilaanse Brabham BMW-rijder Nelson Piquet.

McLaren en Porsche
Wereldkampioen Niki Lauda (1975 en 1977) keerde naar een korte sabbatical in 1982 terug bij McLaren en reed in 1983 een testseizoen (hij werd tiende) met de verse TAG-Porsche turbomotor. In alle opzichten was 1984 voor het Engelse team een jaar vol beloften, met Prost en Lauda als topcoureurs, ingenieur John Barnard die voor de auto een revolutionair koolstofvezel chassis bedacht en niet in de laatste plaats omdat Ron Dennis na drie jaar kneden McLaren op wereldniveau had gebracht. Dennis aasde al sinds het Formule 1 debuut van Prost op de snelle Fransman en was er als de kippen bij om hem na zijn vertrek – vlucht! – bij Renault in te lijven. De McLaren MP4/2 met 1.5 liter TAG-Porsche V6 motor was in alle opzichten een keerpunt in de Formule 1. Het recept was niet veel anders dan van de andere auto’s, al had de MP4/2 koolstofvezel remmen, het klopte wel het beste, mede dankzij de hulp van Lauda en Prost die de ingenieurs van McLaren effectief van feedback voorzagen. Het was toen voor een team geen vanzelfsprekendheid om over zo’n voordeel te beschikken. De V6 leverde in race-afstelling 650 pk en maar liefst 800 pk in full boost kwalificatiehumeur. Naast betrouwbare kracht was zuinigheid een groot voordeel. Belangrijk, omdat de brandstoftanks maximaal 220 liter mochten bevatten. McLaren behaalde dat seizoen met de beste auto, de tactische en strategische Lauda en Prost in combinatie met het geoliede team twaalf overwinningen – zeven van Prost en vijf van Lauda - , tot dan toe een record voor een Formule 1 team. Met een verschil van slechts een halve punt won Niki Lauda de titel. Elke andere snelle auto ging kapot en elke andere betrouwbare auto kwam later over de finish.

Het viereneenhalve punt dat Prost tijdens de legendarische regenrace van Monaco kreeg, deed hem dus de das om. Raceleider Jacky Ickx staakte halverwege de race vanwege het noodweer de wedstrijd. De eerste zes rijders kregen derhalve de helft van hun verdiende punten. Wat winnaar Prost niet wist, was dat zijn positie onder druk stond door de snel naderende Ayrton Senna (in Toleman, tweede plek) en Stefan Bellof (in Tyrrell, derde plek, voor diskwalificatie vanwege gewicht) met de enige atmosferische bolide in de wedstrijd. Had Ickx besloten de race volledig uit te laten rijden, dan had de uitslag er wellicht heel anders uitgezien.

1985
In het daaropvolgende jaar werd de met name aerodynamisch aangepaste MP4/2B ingezet. De vermogens van de Porsche stegen met respectievelijk 850 pk in de race en 973 pk voor de kwalificatie. De ophanging en vering werd opnieuw ontworpen vanwege de bandenswitch van Michelin naar Goodyear. Eindelijk lukte het de Kleine Professor wereldkampioen te worden, met een riante voorsprong van negentien punten op Ferrari-rijder Michele Alboreto. Voor deze prestatie kende Frankrijk hem de Légion d'honneur toe. Waardering kreeg hij niet van de Franse pers, die het door Prost behaalde wereldkampioenschap als een overwinning van Frankrijk zagen. Prost wimpelde hun chauvinisme weg met de opmerking dat McLaren op en top Engels was, door een Nieuwzeelander was opgericht, met auto’s reed die met Duitse motoren waren uitgerust en door een Amerikaanse firma waren gebouwd en TAG een Saudi Arabische eigenaar had. De relatie met de Franse pers zou nooit meer goedkomen. Een apart detail was de Franse driekleur, die prominent op de helm van Prost was opgenomen. Lauda sloot zijn carrière in de Formule 1 in 1985 af met een tiende plek in het wereldkampioenschap.

1986
De laatste coureur die in 1982 met een Ford Cosworth V8 wereldkampioen werd, Keke Rosberg, nam de stoel van Lauda over. Het lukte Prost opnieuw de titel binnen te halen, al werd de competitie langzaam maar zeker sterker, met name in de vorm van de Williams-Honda’s. De zinderende ontknoping, tijdens de laatste GP van het seizoen, vond plaats in Australië. Prost stond tweede, net achter Nigel Mansell en voor Nelson Piquet. Een derde plek was voor Mansell genoeg om het wereldkampioenschap te pakken, maar hij kreeg een lekke band en vloog met 290 km/u van de baan. Kort en goed: Prost won viermaal, Mansell vijfmaal en kwam twee punten te kort op Prost. Brandstofverbruik was ook een dingetje. Tijdens de Duitse GP moest Prost zelfs uitstappen om de auto de laatste paar honderd meter te duwen. Rosberg eindigde zesde om die reden. Volgens ingenieur Barnard was de MP4/2 (versie C, voor 1986) gemaakt om soepel mee te rijden en minder geschikt voor de ruwe rijstijl van de snelle Fin. De weigering van Barnard om de auto aan te passen had waarschijnlijk te maken met zijn vertrek naar Ferrari, eind seizoen 1986. Toen Rosberg ook zijn vertrek aankondigde wilde Barnard wel een uitzondering maken en paste de auto aan waarmee Keke pole position reed. Nou ja.

1987 en verder
Al gedurende het seizoen 1986 bewees de Williams FW11 de beste auto van het veld te zijn. De mannen van McLaren konden hun borst nat maken. Tot overmaat van ramp werd de voorraad brandstof nog verder teruggebracht tot 195 liter. De TAG-Porsche krachtiger maken was geen optie: de motor werd er dorstig en onbetrouwbaar van. Vergeleken met de 900 wedstrijd-pk’s van de Honda, Renault en BMW motoren was de Porsche teruggezet naar de middenmoot. Tijdens de kwalificatie perste de BMW er zelfs 1.400 pk uit, terwijl de concurrentie op 1.200 bleef steken. McLaren stond erbij en keek ernaar. Net als Ferrari overigens, die de getallen wel haalde maar het tijdens een stevig potje racen maar niet waar kon maken. Stefan Johansson nam het stokje van Rosberg over en het succesvolle chassis van Barnard werd terzijde geschoven ten gunste van het frisse ontwerp van Steve Nichols, MP4/3. De turbomotoren van Porsche bliezen hun verplichte deun mee, maar verder dan een vierde plek kwam Alain Prost niet. Toch won hij dat seizoen drie races en verbrak het record van Jackie Stewart met zijn 28e overwinning, tijdens de GP van Portugal. Vanwege het ontbreken van snelheid ontwikkelde Prost een andere strategie waarbij zijn banden minder sleten zodat hij tijdens de race een bandenwissel over kon slaan. Zo bleef het voor hem nog leuk en finishte hij telkens met een uiterst voldaan gevoel, simpelweg omdat er met deze auto niet meer in zat dan een zesde of zevende plek. Dankzij deze consistentie werd hij vierde.

In totaal won MP4/2 22 GP’s, waarvan 16 met Prost en 6 met Lauda achter het stuur, haalde 7 pole positions, Prost zesmaal en Rosberg eenmaal, en scoorde in totaal 327,5 punten in drie jaar tijd. McLaren sleepte tweemaal de constructeurstitel binnen en leverde driemaal de wereldkampioen. Tot op de dag van vandaag is MP4/2 daarmee het meest succesvolle chassis uit de geschiedenis van de Formule 1.

Nog eenmaal Wereldkampioen
En hoe verging het Prost? Hij adviseerde McLaren om voor 1988 de Braziliaanse legende Ayrton Senna te strikken. Honda Marlboro McLaren, inderdaad met de beste motor van dat moment, zou van die beslissing geen spijt krijgen. Senna werd wereldkampioen met Prost in zijn kielzog. Alain baalde, want hij zag dat de Japanners Senna een voorkeurbehandeling gaven. Een seizoen later waren de rollen bij McLaren omgedraaid en speelde Senna tweede viool. Toch boterde het niet tussen de twee kemphanen. Wat begon als respect en bewondering voor elkaar, eindigde in een zakelijke overeenkomst wie er als eerste na de start de bocht in mocht rijden. Het werd gaandeweg het seizoen 1989 duidelijk dat McLaren meer toekomst in Senna zag. Prost trok zijn conclusies en vertrok naar Ferrari. In 1990 reed hij met Mansell en werd tweede achter Senna. Ook in dit team maakte hij geen vrienden en de besnorde Brit vertrok al na een seizoen. Zijn stoel kwam vrij voor Fransman Jean Alesi. In 1991 stond Alain vijfmaal op het podium, maar nimmer op de hoogste trede, en eindigde vijfde. Weer baalde hij en deelde zijn onvrede over team en auto met de pers. Toen Ferrari daar lucht van kreeg, mocht Prost vertrekken. Na een jaartje rust keerde hij terug bij Williams-Renault, reed de sterren van de hemel, won de titel en hing zijn helm aan de wilgen. Het tijdperk Schumacher (actief in F1 sinds 1991) kon beginnen. In 2001 brak de Duitser het record van 51 gewonnen Grand Prix’.

Na 1993 werkte Prost voor de Franse TV, Renault en McLaren (als technisch adviseur). Hij kocht in 1997 Team Ligier van Flavio Briatore en racete het seizoen als Prost Gauloises Blondes met Mugen Honda motoren in de middenmoot, met een eindscore van 21 punten. Seizoen 1998 reden de heren met Peugeot en sleepten in totaal een punt binnen. Het jaar erop kwam oude bekende John Barnard het team versterken. Trulli en Panis kwamen niet verder dan een elfde en zestiende plek. In 2001 mocht Prost met Ferrarimotoren rijden, maar het geld was op, Prost ging failliet en keek naar een schuld van 30 miljoen Dollar. Alain schudde de autosport van zich af met mountain biking en wielrennen en reed af en toe races met Toyota en Dacia. Vanaf 2012 is hij officieel ambassadeur van Renault en sinds 2013 houdt hij zich bezig met Formule E. Het bloed kruipt uiteraard waar het niet gaan kan en sinds vorig jaar adviseert Alain het Renault Formula One Team.