Tempoversnelling komt met de jaren

Lancia is begin jaren zestig haar programma driftig aan het moderniseren. De Fulvia is een exponent van die verjonging. Het model volgt de Appia op en komt in diverse verschijningsvormen op de markt. Behalve de vierdeurs Berlina is er ook nog een vlotte tweedeurs coupé en een Sport, getekend door Zagato. Onschatbare Klassieker magazine houdt de Berlina tegen het licht. Een slowstarter die gaandeweg aan kracht wint.

Door Rik Werner

Ontwerper professor Antonio Fessia wordt begin jaren zestig belast met de ontwikkeling van techniek en koetswerk van de nieuwe middenklasser die Lancia nieuwe verkoopimpulsen moet verschaffen. Eerste schetsen tonen aan dat de Italiaanse tekenaar serieus overweegt een sobere auto te maken van de Appia-opvolger. Een eerste in slechts vier maanden tijd gebouwd studiemodel van de latere Fulvia vertoont zelfs enige gelijkenissen met het oude type dat in tien jaar tijd, tussen 1953 en 1963, 103 duizend keer de showroom verliet. Maar na enige interne discussies gooit Fessia het roer resoluut om. Hij vergeet de bedaagde Appia met gezonde tegenzin en doet zijn voordeel met ruimschoots voorhandige Flavia-componenten. Om te beginnen met de carrosserie: die vertoont opvallend veel gelijkenissen met de Flavia. De Fulvia krijgt bovendien dezelfde versnellingsbak als zijn drie jaar oude grotere broer (weliswaar met andere overbrengingsverhoudingen) en wordt eveneens uitgerust met aandrijving op de voorwielen. Maar er worden meer componenten gedeeld, zoals de onafhankelijke wielophanging, dwars geplaatste bladveren en dubbele draagarmen aan de voorzijde. Achter zien we onderhuids eensluidende oplossingen: een starre achteras, met semi-elliptische bladveren (maar dan zonder torsiestabilisator bij de Fulvia) en Dunlop-Lancia schrijfremmen rondom (al moet de Fulvia het dan weer stellen zonder rembekrachtiging). 

Allure
Op motorisch vlak verschilt de Fulvia wezenlijk van de oude Appia, maar ook van de Flavia. De compacte middenklasser krijgt een compleet nieuwe, door Zaccone Mina ontwikkelde V4-krachtbron in het vooronder gelepeld. Het betreft een zeer compact aluminium blok dat ver naar voren in de carrosserie een plekje krijgt en onder een hoek van 45 graden wordt geplaatst. Het 1.098 cc tellende aggregaat levert 58 pk en een top van 140 m/h, voor die tijd een heel redelijke waarde, maar ook niet meer dan dat. Op het laatste moment past opper designchief Castagnero het ontwerp van Fessia nog aan en wordt de Fulvia getooid met dubbele koplampen en roestvrijstalen sierlijsten rond de ramen. Dat verschaft de Fulvia ontegenzeggelijk meer allure, maar ook nog meer overeenkomsten met de Flavia. Zeker op afstand lijken de modellen als twee druppels water op elkaar. Dat doet niets af aan het enthousiasme waarmee de Lancia Fulvia wordt ontvangen op de Autosalon van Geneve in het vroege voorjaar van 1963. Sterker nog, de nieuwe Lancia is dé grote blikvanger op de tentoonstelling, al is de impact bij pers en publiek vanwege de gelijkenissen met de Flavia aanmerkelijk minder groot dan tijdens de introductie van dat model in 1960. Er is alom waardering voor het tijdloze, zakelijke uiterlijk en het ruime interieur. 

Snellere versies
Maar al snel klinkt er wat gemor over de motor, die is te bescheiden voor een Lancia en zou best wat krachtiger mogen zijn. Lancia reageert bliksemsnel en lanceert nog in hetzelfde jaar de Fulvia 2C. De motorspecialisten van de Italiaanse fabrikant zien kans met een dubbele Solex 32 PHH carburateur het vermogen van de krachtbron op te krikken naar 71 pk, waardoor de topsnelheid uitkomst op 145 km/h. Bovendien krijgt de Fulvia 2C een nieuw subframe waardoor er minder trillingen tot het interieur doordringen. Dat, in combinatie met een directere besturing, draagt er toe bij dat de Fulvia 2C aanmerkelijk meer rijdynamiek aan de dag legt dan het ietwat amechtige basismodel. Al snel verdwijnt de gewone Fulvia Berlina uit het leveringsprogramma. Geruisloos. Niemand die er om maalt, want de 2C is gewoon veel leuker en nauwelijks duurder. Het enthousiasme over de 2C is zo groot, dat Lancia zich niet langer inhoudt en nog snellere versies van de Fulvia Berlina ter wereld brengt. In 1967 verschijnt de GT ten tonele met een naar 1.231 cc opgeboorde V4, goed voor 80 pk bij maximaal zesduizend toeren en een top van 152 km/h. Maar het kan nog leuker. Een jaar later gaan alle remmen los met een nog iets fellere editie die luistert naar de naam GTE. De motor telt nu 1.298 cc inhoud en levert 95 paardenkrachten af aan de krukas. De top ligt nog eens tien kilometer hoger: 162 km/h. Het topmodel krijgt om veiligheidsredenen standaard bekrachtigde remmen. Jubel alom, de Fulvia is als GTE een serieuze concurrent voor de Alfa Romeo Giulia geworden. 

Facelift
Zes jaar na de introductie, in 1969, acht Lancia de tijd rijp voor een facelift. Het stijlvolle merk, inmiddels ingelijfd door het snel groeiende Fiat, spreekt van een ‘Serie 2’. De herziene Fulvia is eenvoudig herkenbaar aan de tamelijk ingrijpend gewijzigde achterpartij, die iets ronder van vorm is, mede door de montage van grotere afgeronde achterlichten. Voor zijn de wijzigingen minder heftig, maar toch goed zichtbaar door een enigszins aangepaste grill, grotere koplampen en dikke rubber strips in de voorbumper. Veel belangrijker dan al die cosmetische aanpassingen is de verlenging van de wielbasis met twintig centimeter, waardoor de passagiers achterin flink aan binnenruimte winnen. Andere aanpassingen betreffen het instrumentenpaneel, dat voortaan is voorzien van ronde klokken. Betere, meer steun verschaffende stoelen maken het rijden in de ‘Serie 2’ tot een aangenaam tijdverdrijf. Last but not least gaat Lancia over tot herziening van de remmen. Het betrouwbare, maar lastig te onderhouden systeem van Dunlop gaat overboord. Daarvoor in de plaats worden onderhoudsvriendelijke Girling remklauwen gemonteerd, in combinatie met een gescheiden hydraulisch remsysteem. Rembekrachtiging is voortaan standaard op alle varianten. De nieuwe handgeschakelde vierversnellingsbak is maar een kort leven beschoren, want grote baas Fiat gelast de montage van een vijfbak, die in de praktijk echter nauwelijks een verbetering is. In de laatste productiejaren mogen Fulvia Serie 2-klanten zich verheugen op enkele nieuwe luxesnufjes, zoals ruitenwissers met twee snelheden en een elektrisch verwarmde achterruit. Eind 1972 valt het doek. In een tijdsbestek van negen jaar fabriceert Lancia 115 duizend exemplaren van de eerste reeks en 71.400 van de tweede. Met een totaal van 186 duizend Berlina’s in een tijdsbestek van negen jaar kan gesproken worden van een heel redelijk succes, zeker als in ogenschouw wordt genomen dat Lancia het einde van de jaren zestig maar ternauwernood haalde en door Fiat voor de poorten van de hel werd weggesleept. Waar ze bij Lancia zeker tevreden over zullen zijn: de Fulvia verkoopt in de periode 1963 tot en met 1972 nagenoeg net zo goed als die vermaledijde Giulia.

Griekse variant
Speciaal voor de Griekse markt bouwt Lancia een 1,2 liter variant van de Fulvia GT. Met een gewijzigde boring en slag van 74 x 75 mm meet het motorblok 1.199 cc. Ook van de latere Serie 2 produceert het Italiaanse merk een specifiek op Griekenland toegespitste Fulvia. Er verlaten in totaal 3.800 Griekse Serie 2-versies de fabriek. Voor liefhebbers zijn juist deze modellen erg interessant, al was het maar omdat in de mediterrane zon roest nauwelijks vat krijgt op de tamelijk corrosiegevoelige sedan.

Technische gegevens Lancia Fulvia 2C (1964-1967)
Motor: 4-cilinder in V, 1.091 cc
Boring x slag: 72 x 67 mm
Compressieverhouding: 9:1
Vermogen: 71 pk/6.000 t/min
Topsnelheid: 145 km/h
Lxbxh: 411 x 155 x 140 cm

© 2017 MECC Maastricht